Kwart voor negen arriveerden Jos en Marja om bij ons in de auto te stappen richting Beusichem. Om half tien stapten we het Veerhuis binnen. Ruim op tijd om op ons gemak een kop koffie te drinken en een praatje aan te knopen met bekenden. Ik had een onrustige nacht achter de rug en was een tikkeltje zenuwachtig, wat ik niet uit kon staan van mij zelf. Maar goed, wat doe je ertegen?
De scheidsrechter vertelde op vrolijke toon dat er helaas geen stroming stond, maar dat we daarentegen wel konden rekenen op een forse tegenwind. Hadden we toch wat. Temperatuur van het water 18 hoog. Dat viel dan in ieder geval niet tegen. De gebruikelijke aanwijzingen volgden. De gele boeien waren skippyballen. Mocht je ze per ongeluk raken met je hand was er dus niets aan de hand. De groene boeien daarentegen waren van beton, dus beter niet met je hand tegenaan slaan. Zowel de gele als de groene boeien moest je aan je rechterhand houden dus links passeren. Bij de haven lag een rode boei die je weer rechts moest passeren dus aan je linkerhand houden want daar lag een krib waar mensen in het verleden wel eens schaafwonden aan hadden overgehouden.
De start was van het veer af: vrouwen rechts, mannen links. Over de railing klimmen, in het water springen en vervolgens het touw vasthouden. Ervoor zorgen dat je niet onder de pont terecht kwam en er ook voor zorgen dat je een bepaalde pijp niet vastpakte, want die was heet. (Mocht je hem toch vastpakken dan je hand 10 minuten in koud water houden heb ik altijd geleerd).
In eerste instantie hadden Mieke, Jos en ik afgesproken bij elkaar te blijven. Mieke zwom schoolslag. Direct na de start kreeg ik echter problemen met ademhalen. De eerste 100 meter mij dus geconcentreerd op het weer onder controle krijgen van die ademhaling en dat lukte gelukkig. Ik zag toen Jos zo’n 100 meter voor mij zwemmen, een verschil wat de hele race zo zou blijven. Mieke zag ik niet meer. Op zich niet zo erg. Zo kon ik mijn eigen tempo bepalen.
De temperatuur van het water was goed te doen. Iets minder te spreken was ik over de boventemperatuur. Vlak voor de start was er al een behoorlijke regenbui. Eenmaal op weg scheen soms een zonnetje, dan weer zag je een hele zwarte lucht boven je en was ik bang dat er onweer zou komen. Boten en wind zorgden vaak voor hoge golven, waarin het moeilijk ademhalen was, maar wat wel weer een goede training was voor de zeewedstrijden komende maand.
Koers houden ging redelijk. De gele ballen zag ik steeds heel duidelijk liggen. Ook op de wal kon ik mij richten op bomen, struiken en bij inhammen op groene vlaggen op palen.
Eenmaal in mijn ritme zwom ik lekker. Op een gegeven moment had ik wel wat last van een stijf gevoel in mijn nek en wat later in mijn armen. Niet zo zeer door de watertemperatuur, maar meer door de temperatuur erboven.
Onderweg zag ik Inez nog staan onder een paraplu. Ik weet niet of zij mij ook zag. Ik kon niet zwaaien, bang als ik was dat ik er dan uit het water gehaald zou worden.
Ach en waar denk je dan zoal aan tijdens zo’n tocht. Ik was vooral bezig met mij te oriĆ«nteren. Waar zwom ik, waar moet ik naar toe, waar liggen de boten. Daar had ik het tamelijk druk mee. Ook dacht ik aan diegenen die nu in het zwembad trainden en gaf ik mijzelf de opdracht 10x100 lekker doorzwemmen in hetzelfde tempo, daarna 500 meter lekker doorzwemmen en dit setje nog een aantal keer. Slagen tellen is ook iets wat ik regelmatig deed. Tussen twee palen met groene vlaggetjes had ik er 110 nodig (elke arm tellen). Ik weet alleen de afstand niet tussen die twee palen, maar het aantal slagen was vrij constant. De afstand dus ook nam ik maar aan. Ik ging ervan uit dat die 100 meter was. Op een gegeven moment was ik de tel echter kwijt, dus daar maar mee opgehouden.
Na enige tijd zag ik iemand voor mij worstelen, dan weer zwom ze borstcrawl, dan weer schoolslag. Vanaf het moment dat ik links naast haar lag zag ik haar niet meer en wist ik niet of ze nu achter mij zwom of rechts van mij. Maar niet gekeken. Was niet interessant. Ik hoopte wel dat mijn zwemmen er wat beter uitzag en ging dus weer wat op de techniek letten.
Na de zoveelste bocht zie ik dan opeens de spoorbrug in de verte. Van de ervaren zwemmers hoorde ik dat het dan nog zo’n twee kilometer is. Dan had ik er dus wel al tweederde van de rit op zitten.
Ik merkte wel dat ik mijn slag niet meer goed naar achteren toe lang kon maken. Misschien is het dus toch waar wat ik overal lees dat lange afstandszwemmers kortere slagen maken. Ik zag toen in de verte wel al de haven liggen en schatte dat ik er op dat moment al zo’n 5 km op had zitten. Aan de kant stond tenminste een bord met 939 erop terwijl ik vlak na de start een zelfde bord had gezien met 934 erop.
En dan opeens zie ik in de verte de rode boei liggen. Dat geeft vleugeltjes, toch wat meer snelheid in de armen en benen. Rode boei gepasseerd, op naar de boot met daarop heel groot FINISH.
Op grond van berekeningen van mijn 2km tijd in Breukelen (39 minuten), de 3km tijd in Sluis (62 minuten) en de 5km tijd in Millau (1 uur 57) hoopte ik dat ik er niet veel langer dan 2 uur 20 over zou doen. Jos had zijn horloge ingedrukt bij de start en mat voor mij een tijd van 2 uur 8. Hier was ik dus super tevreden mee. Zo’n 2.10 gemiddeld per 100 meter.
Bij de finish bleek ik een supportersclub te hebben. Tenminste de speaker vermeldde bij mijn binnenkomen dat hij naast de supportersclub van Loekie stond. Wel leuk, maar ik heb geen idee wie het waren. Wel zag ik Greet Brehler vanuit een jurybootje naar mij zwaaien.
Na de finish nog even met Jos in het water gebleven om te wennen aan de verticale stand.Toen hoorde ik ook dat we een aantal regenbuien over ons heen hadden gekregen. (Ik dacht onderweg al, wat ben ik nat). Ik kon uiteraard op eigen kracht het water uit. Had de deken waarmee ze klaar stonden niet nodig en heb de 100 meter naar de kleedruimtes op eigen kracht overbrugd, zij het dat ik wel een enigszins zwalkende tred had. In mijn benen zat toch nog meer de zwembeweging dan de loopbeweging.
Toen hoorde ik dat er ook nog heel ver achter mij een zwemmer in het water lag, (misschien degene die ik onderweg gezien had) en dat er zo’n 6 mensen uit het water gehaald waren. Ook dat er nogal wat mensen na het finishen geholpen hadden moeten worden. Dat geeft mij dan toch wel een goed gevoel.
De douches waren lekker warm en de kleedruimte erg ruim. Een voordeel als je wat later arriveert, je hoeft niet te zoeken tussen alle kledingzakken naar die van jou en je hebt de hele kleedruimte voor jezelf.
Marja heeft de hele race gelijk op kunnen zwemmen met Gonda Stigter. Bij het synchroonzwemmen hadden ze hoge ogen gegooid. Na zo'n 5800 meter had Marja nog wel wat over om een eindsprint in te kunnen zetten. Gonda kon echter niet meer volgen. Marja vond “samen uit samen thuis” en hield in. Tegelijk tikten ze vervolgens volgens plan aan in een A-tijd voor Marja en een B-tijd voor Gonda. Toch niet slecht voor een sprintster die staat opgesteld in de estafetteploeg die het wereldrecord zwemt op de 4x50 meter om een doorgewinterde lange afstandszwemmer als Gonda, die bovendien nog tien jaar jonger is ook, voor te kunnen blijven.
Sprinters, wanhoop niet, er is nog toekomst voor jullie als lange afstandszwemmer.
Verder hebben 5 heren en 1 dame voortijdig het water verlaten. Hoe zo het sterke geslacht?????????
De officiƫle tijden waren Marja 1.32.00.18 (16e) en Loekie 2.08.46.23 (29e) van de 31 deelnemers.
Wel, vervolgens even naar het tobbedansen gekeken en toen zo’n 20 minuten gelopen naar de auto. Onderweg naar huis ben ik heel even in slaap gevallen (Kees reed gelukkig).
Ik hoop dat jullie net zo lekker getraind hebben als ik gezwommen. Jullie missen echt wat.
Loekie
Geen opmerkingen:
Een reactie posten